Annika Cannaerts

Verhalen

Doe hier mee aan het dictee, voorgelezen door Ruud Hendrickx: https://vrttaal.net/oefendictee/dolly

Burg Katz

Economisch niet rendabel, dus gedoemd te verdwijnen in de toekomst: item 297 – bibliotheken. Helaas, helaas. Aan de rechteroever van de Rijn, achter de gesloten poort van Burg Katz,  bevindt zich de laatste retrobibliotheek uit 2050, met Dolly aan het loket.

Op het binnenplein van de middeleeuwse burcht bevond zich de retrobibliotheek, een replica uit tweeduizend twintig. ‘Meld u aan bij het loket’, galmde uit de boxen.

Nadat de Derde Wereldoorlogtwee derde van de steden tot stof had herleid, werd de burcht een assessmentcenter dat de beste AI-ingenieurs van heel de wereld tewerkstelde. Dolly, de bibliothecaresse, was hier door hen ontworpen. Ze zag eruit als iemand die hield van funshoppen, maar deze vrouw zat vol met elektronica. Het boek dat de man voor mij wilde lenen, gleed in haar enorme decolleté en ze slaakte daarbij een zucht, een grapje van haar creator.

‘Waarom niet?’ schreeuwde de man.

Dolly replyde dat hij het boek helaas niet kon ontlenen door de ongepaste product-marktcombinatie.

‘Maar ik heb het verdomme zelf geschreven!’ riep hij.

Ik probeerde hem te kalmeren, want ik wist dat de kans dat hij gelyncht ging worden, met elke seconde vergrootte.

‘Je kunt daarover niet zomaar beslissen!’ bleef de anders zo stille schrijver maar roepen.

Dolly nam het schrijvershoofd tussen haar bleke handen met de robijnrode nagels en drukte zijn hoofd tegen haar voluptueuze boezem.

‘Een speldenprik, meer zal hij niet voelen naar het schijnt’, fluisterde ik in het gepiercete oor van het meisje achter me, dat eruitzag alsof ze elk moment zou beginnen gillen.

Een ontzagwekkende lange naald groeide uit Dolly’s wijsvinger en boorde zich in de rechterslaap van de schrijver, alsof zijn hoofd bestond uit zachte roomboter. De gesmoorde jammerkreten van de man stopten plotseling en de vinger van Dolly trok zich terug uit zijn brein. Aan het puntje van de naald schitterde een stukje hersenweefsel in de zon. Elegant wiegde ze terug achter het loket.

De schrijver draaide zich om naar de rij wachtenden, keek me schouderophalend aan en zei: ‘Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’ Een straaltje bloed vloeide langzaam uit zijn rechterneusgat.

‘Het schip is geënterd’, zei de man nog met een pathetisch armgebaar en hij wandelde de woestijn in achter de burcht, met zijn handen op zijn rug.

‘Afspraak gecanceld’, zei Dolly. Volgende.

 ‘Ik kom de burcht terug innemen’, zei ik op de nasale, klerikale toon die ik zo vaak geoefend had. De toonhoogte was een belangrijk onderdeel van de code die ik ingebouwd had in de bots. Haar crèmekleurige huid was even glad als vroeger en de sproetjes rond haar neus nog perfect rond.

De stilte die volgde, leek wel een eeuwigheid te duren. De wind waaide over de woestijnvlaktes naast de burcht.

Uit elk oog verscheen plots een laserbeam die me van top tot teen monsterde. Terwijl in razende snelheid data door het scherm in haar borstkas joegen, neuriede ze een medleytje. Ik herinnerde me niet dat ik dat geprogrammeerd had.

‘Henry Snail’, zei de bot.

‘Yep’, zei ik. ‘Uw creator groet u.’

‘Toegang tot de burcht geweigerd’, zuchtte Dolly.

‘Wat? Waarom?’ riep ik harder dan ik wou.

‘Identiteit tien procent bevestigd’, zei Daisy.

‘Hoe bedoel je? Ik ben honderd procent Henry Snail’, piepte ik.

‘Overeenkomst met de oorspronkelijke Henry Snail uit 2020 slechts tien procent’, herhaalde ze.

De gruwelijke waarheid begon me ineens te dagen. Ze herkende me niet omdat ik dertig jaar ouder was en er te veel celvernieuwing had plaatsgevonden.

‘Maar ik ben dezelfde, ik ben het, je maker!’ riep ik uit, terwijl ze mijn gezicht in haar boezem begroef.

Het meisje dat naast me had gestaan, begon te gillen.

Mondeling examen geschiedenis – Deel HR – 23/01/5521Aurélie Davidse

Gestaag met de opkomende zon verschijnen de vrouwen op de balkons van de flatgebouwen aan de kustlijn. Met opgeheven armen heffen ze een klaaglied aan uit vervlogen tijden, dat gaat over baren. De wind voert hun lied mee over de zee. Daar komen de mannenschepen al aan, glimmende galjoenen die boven de golven scheren als een speerpunt. De stemmen van de vrouwen kronkelen zich rond de heupen van de mannen, die wijdbeens op het dek staan en met opengesperde neusgaten de geur van hun oksels proberen te vangen.

De vrouwen hebben hun ondergoed uitgetrokken en houden het fladderend in de lucht. De wind speelt onder hun jurken, tussen hun dijen, hun lied zwelt aan, wordt smartelijker, luider, dwingender, en het verlangen van de mannen ook. Op de vijftiende verdieping laat Aurélia haar onderbroekje los, het dartelt in de blauwe lucht, tussen de krijsende meeuwen, speels flirtend rond het zeilschip. David plukt het met uitgestrekte arm uit de lucht. Triomfantelijk brult hij met een diepe mannenstem die hij nog niet kende van zichzelf, dat het schip koers moet zetten naar de vrouwentorens, het is tijd, vooruit, sneller. De wind trekt aan het schip en aan de lendenen van David, tot de kust in het vizier komt, met het landschap van flatgebouwen, zover het oog reikt. Met ontroering streelt hij de kanten zoom van het onderbroekje en hangt het rond zijn nek als een talisman. Hij springt in het water, de vloed duwt zijn lichaam vooruit en met een laatste gulp wordt hij op het strand geworpen.

Aurélia ziet hoe hij komt aandraven, met zijn blonde manen wapperend in de wind. Ze ontknoopt het zijden lint van haar wikkeljurk en schuift het met grote halen tussen haar benen, houdt het dan in de lucht, terwijl ze met overslaande stem het lied van de fallus zingt. David snuift haar geur diep op, en begint aan de beklimming van het flatgebouw. Hij gooit de touwen uit en hijst zich naar boven, de vrouwen hangen met ontblote borsten over hun balkons, met gloeiende ogen scheuren ze de kleren van zijn lijf, grijpen hem in zijn kruis.

Ho, stop, stop, Aurélie. Ze hadden echt al wel liften in 2021. Bon, ga nog even verder.

Haastig bestormt hij de lift naar de vijftiende verdieping, wat een afknapper is, want de lift stinkt naar de urine van andere mannen. Boven rukt Aurélia de liftdeur open en trekt David met koortsige ogen mee naar haar flat. In de hal knijpt hij in haar tepels, valt op zijn knieën en duwt zijn neus tussen haar gezwollen schaamlippen. Hij laat zich door haar op de grond gooien, waar zij hem bestijgt en hij de zee voelt schuimen en eb en vloed hem …

Oké, oké, ik heb genoeg gehoord, Aurélie. Je haalt verschillende tijdperken door elkaar, meisje. En ik weet wel dat het reukorgaan tot diep in de eenentwintigste eeuw nog bepalend was bij de voortplanting, maar vermoedelijk verliep dat toch wat subtieler. Je bent helaas niet geslaagd voor het examen Historische reconstructie.

Theaterdialoog

______________

Lingerie op een bankje

door Annika Cannaerts

Dramatis Personae

ERIK:                    Een vijftiger

HANS:                    Een dertiger

Inhoud

In een drukke winkelstraat stappen twee mannen richting het bankje, om wat uit te rusten. Ze hebben allebei dezelfde winkeltas bij, van een lingeriewinkel, en ze geraken erover aan de praat. Waar eerst achterdocht is, ontstaat een vertrouwensband. De oudere man koopt de lingerie voor zichzelf, de jongere man verzamelt de lingerie omdat hij er blij van wordt.

Decor

Een bank in een autovrije drukke winkelstraat. Op de achterwand zien we filmbeelden van mensen die winkelen of voorbij kuieren in de winkelstraat, of we bevinden ons in een echte winkelstraat.

Scène

Op het podium staat een bank in een drukke winkelstraat. Zowel links als rechts van de bank komt een man aangestapt met een draagtas in de hand. ERIK, een grijzende  vijftiger, laat zich eerst neerzijgen op het bankje. Dan volgt HANS, een jonge dertiger.

HANS

(Zuchtend)

Pfff. Even gaan zitten.

ERIK

(kijkt hem aan)

Ja, dat dacht ik ook. Vermoeiend, dat winkelen.

HANS

(wijst naar de draagtas die ERIK op zijn schoot heeft)

Aha!

ERIK

(kijkt hem vragend maar verontrust aan, drukt de draagtas beschermend tegen zijn borst)

Wat?

HANS

(steekt zijn eigen draagtas omhoog)

Ik heb juist dezelfde winkelzak als jij. Wij hebben blijkbaar in dezelfde winkel geshopt.

ERIK

Haha, ah ja, da’s ook toevallig.

HANS

De mijne is wel groter.

ERIK

Wat?

HANS

(houdt zijn draagtas weer wat in de hoogte).

Mijn zak is dubbel zo groot als die van jou, ik zal meer gekocht hebben.

ERIK

(stilte. Erik kijkt de andere kant op)

HANS

Of meer setjes. Ik koop graag setjes.

ERIK

Setjes?

HANS

Dat alles bij elkaar past.

ERIK

Ah ja, alles in dezelfde kleur bijvoorbeeld.

HANS

Ja, alles in het beige bijvoorbeeld.

ERIK

Of in het rood.

HANS

Rood, ja, rood is ook heel mooi, ja.

(stilte, beide mannen dromen wat voor zich uit)

ERIK

Beige is niet meer in de mode, denk ik.

HANS

Goh, goh, dat zou ik niet zeggen. Achteraan in de winkel, bij de grote maten en de shapewear, daar hing heel veel beige.

ERIK

Ah, daar ben ik precies niet geweest dan. Vroeger noemden ze dat een gaine.

HANS

Ja, dat klopt, da’s juist, mijn moeder droeg dat.

ERIK

Op ons trouwfeest had mijn vrouw zo’n gaine aan. Ze was verdikt en kon bijna niet meer in haar trouwkleed. Die gaine spande zo hard dat ze niet goed kon ademen. Ze heeft niet veel gesproken die dag.

HANS

Hahaha, ben je al lang getrouwd?

ERIK

Al heel lang gelukkig gescheiden.

HANS

Ah ja.

(stilte, beide mannen frunniken wat aan hun draagtas)

ERIK

Nee, het was geen romantisch huwelijk. Ik weet niet wanneer dat dat zo juist begonnen is, maar mijn vrouw behandelde me nogal als een klein kind. Volgens mij was ze altijd chagrijnig van iedere dag die spannende gaines te dragen. Dat was meer een vrouw van het vleeskleurig ondergoed.

HANS

Oh, oh, ah, nee.

ERIK

Geen frulletjes.

HANS

Dat zou ik heel spijtig vinden, als mijn toekomstige vrouw niet van frulletjes zou houden. Ik ben heel erg fan van de romantische lingeriestijl. En dat mag in alle kleuren zijn, maar vleeskleurig? Dat doet me denken aan mijn moeder.

ERIK

Hahaha.

HANS

En, ahum, die lingerie die je nu hebt gekocht, is die dan … euhm.

ERIK

Rood. En roze, met zacht katoenen kantwerk aan de randen. Biokatoen.

HANS

Oh, dat is tof, tof, zeg. En loop je daar dan zelf in rond misschien, hehehe.

ERIK

   (slaat met zijn handen op zijn bovenbenen, maakt aanstalten te vertrekken)

Bon. Ik ga maar weer eens verder, ik moet nog naar de bakker.

HANS

Oh. Sorry, sorry. Ik wou niet … Mijn lingerie is ook niet voor mijn vrouw.

ERIK

  (draait zich terug om, beide mannen glimlachen naar elkaar, hij gaat terug zitten)

Ah, nee?

HANS

              (houdt zijn hand boven zijn ogen)

Nee. Het wordt warm hier, in de blakke zon.

ERIK

Amai ja.

HANS

Zeg enneuh, wat vond je vrouw daar dan van, dat je graag lingerie draagt?

ERIK

Man, toen ze mijn lingerie heeft ontdekt in mijn gereedschapskoffer in de garage, heeft ze alles gescheurd met de kniptang kapot.

HANS

Dat meen je niet.

ERIK

Toen is er ook iets in mij geknapt. Dat was de druppel.

HANS

Ja, dat snap ik, amai.

(Hans neemt de winkelcatalogus vol foto’s van lingerie uit zijn tas en begint er wat in te bladeren)

Zeg, volgens mij zou jij echt goed staan met wat ik gekocht heb. Dat zachtroze, he, dat past enorm goed bij uw huid.

   (hij rommelt in zijn draagtas, haalt er een roze kanten slipje uit en houdt het voor Eriks arm)

Zie je.

ERIK

    (neemt het roze broekje aan, kijkt er vertederd naar, voelt eraan)

Het is prachtig. En het voelt zo zacht.

HANS

Ja, zacht hè. Ik heb daar een hele lade vol van thuis, van dat merk.

ERIK

Allez, zeg.

HANS

In zo’n kaptafel, met links en rechts allemaal schuifjes.

ERIK

Ja?

HANS

En in die schuiven, daar bewaar ik de lingerie per kleur. Roze zit helemaal van boven (maakt schuifgebaar met zijn handen).

ERIK

  (draait zich vol belangstelling naar Hans toe)

Allez zeg. Tof. Tof, jong. Enneuh. Ja. Hoe tof is dat. Enneuh, die zijn dan niet van uw vrouw?

HANS

Neenee, mijn vrouw, die heeft  haar eigen schuif. En dan, onder de roze schuif, heb je de witte lingerie. Rechts boven is er dan nog een schuif met zwart en dan nog eentje met rood.

(stilte, ERIK blijft glimlachend met heel grote belangstelling kijken)

               HANS

Ik zou daar niet tegen kunnen, als al die kleuren door elkaar zouden liggen, man.

               ERIK

Jaja, dat versta ik. Ik bewaar mijn lingerie ook in aparte schuiven.

   (stilte)

Soms, he, als ik geen zin heb om uit mijn bed te komen, dan denk ik: allez, wat ga ik nu vandaag eens aantrekken? Dan krijg je toch weer zin om aan de dag te beginnen.

HANS

Ah ja. Ik draag mijn lingerie wel niet zelf.

ERIK

Ah nee? Voor wie is die dan?

HANS

Ik vind dat gewoon tof om in huis te hebben. Ik vind dat mooi.

ERIK

Ah?

HANS

Ja, ik word daar echt blij van, blij, als ik die schuiven open trek en al die mooie spulletjes zie liggen.

ERIK

Je bent meer een verzamelaar dus?

HANS

Ja. Vroeger had ik nog al eens last van depressies, maar nu, nu verzamel ik dingen waar ik blij van word.

ERIK

Dat is tof, jong, zie, dat zouden nu meer mensen moeten doen.

HANS

Als je tijd hebt, mag je altijd eens komen kijken of er iets tussen zit dat past. Dan mag je dat gerust een weekje uitproberen.

ERIK

Dat is het mooiste dat ooit iemand tegen mij gezegd heeft.

HANS

Zeg, wat denk je? Gaan we een pint pakken?

ERIK

Dat is een goed plan!

EINDE


 

Ik weet nog precies wanneer het begonnen was. Het cliché van de druppel die de emmer doet overlopen: dat werkt echt zo. Die ochtend bij het ontbijt verbrandde ik mijn gehemelte aan de hete koffie, omdat mijn blik bleef vasthaken aan het plafond. Nieuwe vochtplekken verspreidden zich opnieuw als olievlekken in alle hoeken. Waren die er gisteren al?

Alleen mijn studio had er last van, de twee appartementen op de bovenste verdieping van dit flatgebouw waren droog en schoon. ‘Ik zie geen lek, mevrouw, alles is vernieuwd en potdicht, wat vreemd, dat vocht hier overal.’

De dakwerkers die opeenvolgend kwamen kijken, wreven over hun kin en konden niet wachten om zich uit de voeten te maken voor dit onoplosbare raadsel. Ik lag ’s nachts in het donker en probeerde de drang te weerstaan om het loszittende behang aan de hoeken met mijn nagels af te krabben. Ik wou de buren niet weer verontrusten.

Gewoon rustig blijven, dacht ik de volgende ochtend, je kan dit rattenhol altijd nog verkopen en in een caravan gaan wonen of zo. De afbetaling van dit krot was toch belachelijk hoog, daar moest ik vanaf. Ik probeerde op routine verder te leven: ’s avonds bereidde ik de lessen voor en ploegde ik door correctiewerk en administratie, de blik naar beneden gericht. Bij het ontbijt las ik de krant en vermeed ik naar boven te kijken. In het weekend was ik zo weinig mogelijk thuis en maakte ik lange wandelingen langs de oude spoorweg.

Maar het vocht kroop in mijn hersenen.

Het was zowat de enige les geweest op school waarbij ik even was gestopt met dagdromen: het wonderlijke onzichtbare proces van osmose. Ik onthield het beeld van de kersen die door vochtig weer water doorheen de schil opnamen. Hun huid stond strak gespannen en barstte meedogenloos uit elkaar. Mijn hersenkwabben zogen zich vol met het vocht en zwollen op als rijpe kersen. Het vocht sijpelde langs de binnenkant van mijn schedel naar beneden, waar de druppels hol in mijn porseleinen binnenste weerklonken – plonk plonk plonk. Stalactieten zouden omhoog schieten uit mijn borstkas, mijn hart doorboren, in mijn hersenen priemen.

Er ging van alles mis op het werk. Mijn collega’s, die met nerveuze stappen en holle ogen door de gangen trippelden tijdens de leswissels, keken me vreemd aan als ik ze tegenkwam. Ik vergat steeds vaker de namen van leerlingen. ‘Jonathan’, deel dit even uit, wil je?’ ‘Anthony’, mevrouw, Anthony.’ Ik vergat een hele doos projecttaken aan de bushalte en vond ze nooit meer terug. Er kwam een boze mail van een ouder, die vermoedelijk de taak in de plaats van zijn zoon gemaakt had, en tevergeefs op schitterende cijfers wachtte.

En toen: de druppel. Ik was de tel kwijt hoe vaak ik de warmwaterkraan al had laten repareren en vorige maand  had de loodgieter zelfs alles vervangen en helemaal vernieuwd. Een fortuin had dat gekost.

Die avond lag ik in bed en keek met wijd opengesperde ogen in het stille duister. Met de regelmaat van de klok viel een druppel – plonk plonk plonk – in de badkuip. Plonk plonk plonk de warmwaterkraan, de warmwaterkraan, de warmwafelkraam.       

Toch vertrok ik nog naar school. Steeds maar doorgaan, daar ben ik altijd goed in geweest. Ooit stond ik ’s morgens ineens met een eenzijdige gezichtsverlamming voor de spiegel en gaf ik een uur later mijn geplande les over ‘Gedichten over de dood’ aan mijn arme leerlingen, die me verschrikt en bewegingloos aankeken.

Tijdens de pauze had iemand ‘De warmwafelkraam lekt weer’ in het groot op het bord geschreven. Ik veegde de f , de l en de m uit en schreef een t , een r en een n in de plaats. Toen ik me terug omdraaide naar het bord, stond het er weer: de warmwafelkraam.

Probeer het maar eens, siste ik tegen het lege klaslokaal, toetoe, probeer het maar eens, om me nog iets tegen mijn zin te laten doen.

Na een lange dag ben ik nu eindelijk op weg naar mijn warmwaterkraan. Ik loop langs de hoge muur die mijn stad tot in de verte in tweeën snijdt. Achter deze verweerde muur ligt het oude station, waar alleen nog af en toe goederentreinen denderen naar de haven. Soms staat er ineens plompverloren een van die gele treinen die vroeger voor het onderhoud van de spoorwegen ingezet werden. Hij lijkt een beetje op de logge gele Duplolocomotief die je vol batterijen moest steken. Toch heet deze straat niet ‘Stationsstraat’. Nergens hangt een bord met een straatnaam.

De regen miezert in het straatlicht. Aan de linkerzijde van de straat doemt de achterkant op van de verlaten kantoorgebouwen. Ze lijken hermetisch afgesloten, met stalen lattengordijnen voor de ramen. Overdag zitten de bedienden fel verlicht als kleine poppetjes aan hun bureautjes, ’s avonds kantelen de metalen latten een voor een toe en sluit het pikzwarte omhulsel zich als pek over de gehele buitenkant. De gebouwen lijken nu op reusachtige rechthoekige legoblokjes, hier achteloos rondgeslingerd.

Ik stap verder langs de eindeloze muur, met het smalle bordes onderaan, waar weinig groeit, behalve sigarettenpeuken en onbestemd afval. Een plastic vorkje staat recht overeind in een half bakje friet.

Het avondlicht weerspiegelt in de plassen op de hobbelige straat. Tussen de vierkante stoeptegels, die op ongelijke hoogte liggen, schiet onkruid op. De voegen onder mijn voeten zijn zacht van het mos. Een verlichtingspaal zoemt maar schijnt niet. Hier is geen straatverlichting meer nodig, dit is geen bestemming die licht nodig heeft. Aan de overkant van de straat torent de elektriciteitscentrale achter een nieuwere, schonere muur.

Ik stop voor de knoestige struik die langs de muur koppig vanuit een afgebroken tegel omhoog blijft groeien. Zijn stekelige takken hebben zwerfafval gevangen: een wit flinterdun plastic zakje, een vieze papieren zakdoek. Tussen de schriele blaadjes glinstert een gouden strook gescheurd papier, waarschijnlijk van een chocoladereep. Ik kijk naar links en rechts, wring me achter de struik en stap door het gat in de muur.

De wind waait over de vlakte die zich voor me uitstrekt. De stalen rails van de oude spoorweg glanzen van de regen, een stille volle maan zweeft door een grote verlichte wolk boven het verlaten terrein. Dezelfde hand die de speelgoedtrein hier af en toe op de sporen zet, heeft fonkelende diamanten tussen de sporen verstopt: de plassen tussen de dwarsliggers schitteren in het maanlicht. Aan de horizon slaat een langwerpige donkere wolk zijn vlerken uit als een grote zwarte vogel. In de verte ademt de stad in en uit, poppenmensjes ijsberen voor hun ramen in het verlichte flatgebouw.

Met mijn armen gespreid balanceer en huppel ik over de sporen, tot aan het verlaten fabrieksterrein. In het midden van  het zwart geasfalteerde plein staat mijn kraampje. Op deze plek doorkliefde vanochtend een zwerm eenden luid kwakend de blauwe hemel boven mijn hoofd. Ik herinnerde me mijn zoontje, die op mijn arm altijd maar naar boven keek en wees. ‘Kijk’, zei hij dan. ‘Dag vogel, dag vliegtuig’.

Als de vogel of het vliegtuig naar beneden kijken, zien ze daar een kraampje in warm licht, als speelgoed voorzichtig tussen duim en wijsvinger neergezet door een reuzenhand op het zwarte plein, als het begin van iets, een scène die nog niet af is.

De wanden van mijn kraampje zijn crèmekleurig en de luifel heeft roze en blauwe strepen. Ik open het zijdeurtje, steek het licht aan en rol de luifel uit. Ik neem de spierwitte schort van het haakje en omgord hem zorgvuldig rond mijn heupen. Boven de grote horizontale spiegel tegen de achterwand, verspreiden roze afgeronde letters een zacht diffuus licht. De letter e ontbreekt, waardoor er warm wafelkraam staat, in plaats van warme. Uit de kast onder de glanzende toonbank neem ik de twee ijzeren mengschalen, klop dooiers los met een garde, voeg melk en gist toe, zeef de bloem en roer met de garde tot er geen enkel klontertje meer in het beslag drijft. Op een zacht vuur laat ik de boter smelten, klop het eiwit op tot schuim en roer alles onder het beslag. Met grote halen klop ik de room en de bloemsuiker tot smeuïge slagroom en lepel alles in een spuitzak met een gekarteld spuitmondje. Ik leg de gevulde spuitzak in de koelkast, in afwachting, en verwarm het wafelijzer op de hoogste stand.

Daar komt de eerste klant al aan. Iemand uit het verre flatgebouw stond plots stil voor het raam en had het licht van mijn kraampje gezien in de verte.

Ik schep een pollepel beslag in het wafelijzer, sluit het af en bak een luchtige goudbruine Brusselse wafel. De zoete geur zal straks nog mensen lokken. Met een vork haal ik voorzichtig de krokante, zachte wafel uit het ijzer, poeder bloemsuiker in de vakjes, en vraag: ‘Slagroom?’

‘Ja, graag’, lacht de vrouw voor het kraam. Ze heeft droevige ogen en heeft het koud. De wafel zal haar deugd doen. Ik vul alle twintig vakjes met toefjes room, en reik haar de wafel en servetjes aan over de glanzende toonbank.

Ze neemt een hap en begraaft haar neus in de slagroom.

(Geïnspireerd door de foto ‘Charlerloi’ van Stephan vanfleteren)

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is afbeelding.png

(Dit kortverhaal werd gepubliceerd in het literair tijdschrift ‘Op ruwe planken’, Het porseleinen nummer, 20.12.2020)

Beste zuster Bertha,

Ik heb het heel koud zonder jou.

De verwarmingsketel is hier al voor de derde keer uitgevallen. De loodgieter zegt dat hij niet kan toveren, de ketel is te oud geworden, net als jij, zuster Bertha. De nieuwe opvoeder, hij heeft een hele rare naam, Aitor, of zoiets – ik moet heel de tijd denken aan een zwarte glimmende tor met stekelige voelsprieten als ik hem zie – zegt dat je hersenen bloeden en je nog heel lang in het ziekenhuis moet blijven. Ik mag niet bij je op bezoek komen, zegt hij, door corona. Maar zuster Bertha, zorg dat je raam op een kier staat, want binnenkort kom ik naar je toe vliegen.

Ik moet je ook iets vertellen over de nieuwe stagiaires. Ze zijn lelijk. De ene heeft paarse klauwen – gelnagels, zegt ze – en de andere heeft een ring door haar neus. Hun luid gelach doet pijn aan mijn oren. Ze praten hard, en zeiden aan tafel dat jij seniel bent geworden. Ik zocht op wat het woord betekende in je woordenboek met de blauwe kaft, en het betekent ‘achterlijk’.

Zuster Bertha, dan ben je net als ik. Het is niet zo erg om achterlijk te zijn, heb daar maar geen verdriet over.

Ik heb een geheim, jij alleen mag het weten: ’s nachts slaap ik in jouw bed, ik hoop dat je dat niet erg vindt. Ik sluip ernaar toe als iedereen al slaapt, en ’s morgensvroeg ga ik, na mijn gefladder op het dak, weer in mijn eigen bed liggen.

En nog iets, zuster Bertha, weet jij waar mijn zachte fleecepyjama is? De andere pyjama’s zijn zo hard en jeukerig, ze schuren tegen de puisten op mijn rug. Ik heb zo hard gekrabd aan de twee grote bulten links en rechts op mijn schouderbladen, dat het begon te bloeden.

Pikt dat ook, zuster Bertha, als je hersenen bloeden?

Die Aitor zegt dat hij niet gelooft dat jij me hebt leren lezen en schrijven, hij wees naar het briefpapier dat ik van je kreeg voor mijn verjaardag en zei dat dat gekrabbel geen letters zijn. Ik hoop dat hij ook volledig in vlammen opgaat, burned out, zoals de vorige opvoeder. Ik weet dat het niet mooi is, maar dat komt ervan.

Zeg zuster Bertha, als ik je kom bezoeken, neem ik je voorleesboek mee. Lees je dan nog eens ‘Het lelijke eendje’ voor? Lieve, lieve zuster Bertha, niet schrikken van wat ik nu ga zeggen: ik geloof dat ik ook in een zwaan aan het veranderen ben. Toen ik bleef krabben aan de twee bulten op mijn schouderbladen, groeide er aan beide kanten een beentje uit, en toen floepten er ook veertjes uit. Het gaat snel nu, je ziet ze bijna groeien!

Elke ochtend oefen ik nu, tijdens de zonsopgang. Ik klim op het dak via de brandladder en fladder met mijn vleugels. Gisteren kwam ik al een beetje van de grond.

Zuster Bertha, ik hoop dat je uit je raam ook de zonsopgang kan zien, de kleuren van de hemel zijn zo mooi in de herfst. Binnenkort zal ik vliegen in het gele en rode ochtendlicht en moeiteloos glijden op de wind, die me naar jou zal voeren.

Zet een kaarsje op de vensterbank van je ziekenhuiskamer, dan weet ik waar ik moet landen.

Voor altijd jouw vriend,

Tommy

Hij staat aan het raam van het lege klaslokaal dat zich vult met licht dat niet uit één bron afkomstig lijkt. De zon is al goudgeel geworden.

‘Hoe gaat het met je, Yousif?

Mijn leerling kijkt naar zijn versleten schoenen, stamelt excuses dat hij zijn taak alweer niet inleverde, er valt een bedremmelde stilte.

Onze directrice bleef tijdens de vorige lockdown elke middagpauze op de ruit van zijn voordeur bonzen tot hij opendeed. Grauw, altijd net uit zijn bed, beloofde hij elke keer te komen.

‘Ik word zo moe van school, mevrouw.’

‘Ja, dat snap ik.’ Ik kijk naar de donkere wallen die als zandzakjes onder zijn kleine ogen hangen.

‘Liever was ik thuis geweest. Liever ben ik altijd thuis.’

‘Het is hier zo groot en lawaaierig’, gebaar ik naar het schoolgebouw overal rondom ons.

‘Vreselijk’, knikt hij.

Ik denk aan de grote dofheid die over me hing op zijn leeftijd. Hoe ook hij zich op voorname wijze een beetje afzijdig probeert te houden.

Hij glimlacht voor zich uit. Het is niet in de mode om verlegen te zijn. Mensen kijken dan naar je alsof ze een vreemd dier zien.

De wiskundeleraar uit mijn eigen schooltijd dringt mijn hoofd binnen: ‘Je zit daar maar, Cannaerts, als een zoutzak, een zak meel.’

Ik ga zitten achter mijn bureau en start de livesessie. Yousif klapt achteraan zijn laptop open. De leerlingen melden zich een voor een aan. Alleen Laila zit nog in haar roze konijnenonesie, de rest ziet er frisjes gedoucht en aangekleed uit. Hun virtuele achtergronden zijn vandaag allemaal in het science fictionthema.

Yousif zit op de brug van Starship Enterprise. Dapper op weg naar een plek waarvan nog geen mens is teruggekeerd. Achter hem glijdt een geluidloos landschap van een roze planeet voorbij.

Leuk nieuws vandaag! Ik werd geselecteerd voor de halve finale van de schrijfwedstrijd ‘De uitdaging’ van Creatief Schrijven, met het kortste kortverhaal dat ik ooit moest schrijven:

Tinnitus (Annika Cannaerts)

Hij schrok wakker van het oorverdovende klokkengelui in zijn oren. Het geklepel overstemde zelfs de pieptoon die zich al maanden zonder ophouden in zijn hersenen boorde. Krijsende kinderen, insecten en bijtend zonlicht stroomden moeiteloos doorheen de gaten in zijn hoofd. Een insect, met vleugels als puntige revers, zette koers naar zijn voorhoofdsholte en hief zijn dirigentenstok plechtig in de lucht. De hemelse klanken van een monnikenkoor zegenden zijn schedel. En toen werd het eindelijk stil.

(Dit was de opdracht met bijhorend filmpje: Laat je inspireren door het onderstaande filmpje en schrijf een korte scène (proza, max. 500 tekens, spaties inbegrepen) uit. De scène speelt zich af op één plaats en wordt afgebakend door de opkomst en/of afgang van een of meer personages. Beelden uit het filmpje mogen zo expliciet of impliciet aanwezig zijn als je zelf wil, zolang de link duidelijk blijft. Je kiest zelf of je uit één beeld vertrekt of alle beelden aan elkaar weeft.)

Het was vier uur in de ochtend, het stilste moment van de nacht. Kan je wakker worden van te veel stilte? Ze vulde de hele kamer en drukte als een prop watten in zijn oren. De enige wezens die nog een hele nacht doorsliepen, waren de bots. Volgens sommigen kwam dat doordat mensen niet gemaakt waren om ondergronds te leven, het was tegennatuurlijk, mensen waren toch geen mollen.

Benjamin keek naar Dolly, die naast hem lag te ademen. Haar schouders deinden zacht op en neer. Het was zijn eigen idee geweest om slaapgeluiden in te bouwen in de spraakfunctie van de bots. Van het oplaadstation in de hoek werden de bots een voor een verhuisd naar de lege kant van het bed, waar de ingebouwde hartenklop en slaapademhaling een rustgevend effect hadden op hun slapeloze eigenaars.

Hij duwde zijn neus in Dolly’s blonde krulharen en snoof haar geur op die hij deze week op vanille had ingesteld. De lepeltjeshouding was haar lievelingspositie om te slapen. Hij wist niet waarom, maar om een of andere reden vond hij het grappig om een robot het woord ‘lepeltje’ te horen zeggen. Ze kreeg iets kinderlijks dan, haar stem werd aarzelend en schuchter, waarschijnlijk omdat de associatie met eten voor verwarring zorgde in haar brein.

‘Lepeltje?’ fluisterde Dolly elke avond in zijn oor, voor ze zich omdraaide en zich met haar rug tegen hem aan nestelde. Hij schakelde haar temperatuur altijd iets hoger voor het slapengaan en programmeerde de kamertemperatuur op ochtenddauwfrisheid. Het was een van de vele verloren gegane prachtige woorden: ochtenddauw.

Ze werd wakker, draaide zich om en keek hem aan, met ogen die bijna altijd glimlachten, zelfs als haar mond onbewogen bleef. De stem van haar prototype, Dolly Parton, uit de archieven van 1970, klonk veel nasaler dan de stem van zijn Dolly. Zijn Dolly kon bovendien niet zingen. Ze had een uniek stemtimbre dat hij speciaal voor haar ontworpen had, door honderden vrouwenstemmen uit het verleden te beluisteren en hun klank te proeven, tot het precies goed zat. Haar stem was zacht, maar toch helder. Een zekere droefheid schemerde erin door, maar dat kon ook projectie van hem zijn, want de twee andere spraakingenieurs die stage bij hem liepen, hoorden alleen hoe sexy ze klonk. Haar voluptueuze boezem had daar zeker toe bijgedragen. Hij hield van timide, slimme vrouwen. En waarom zouden die geen moederlijke boezem kunnen hebben en een schittering in hun ogen?

‘Een schittering tussen haar benen zul je bedoelen’, hadden de collega’s geschaterd. Hij had een rode kleur gekregen, zoals een kleine jongen. Voor de zekerheid had hij haar zonder vagina ontworpen, ze zou niet de eerste bot zijn die verkracht werd door primitievelingen.Ze vlijde zich tegen zijn borstkas en wees met haar vinger naar een woord op het scherm dat voor zijn ogen zweefde en de slaapkamer blauwig verlichtte, in het boek waar hij nog in had gelezen voor het slapengaan.

‘Dit woord’, zei ze.

‘De slapeloosheid was iets des mensen geworden?’ Hij keek haar aan. Het kuiltje in haar wangen. De roze lippen. De felblauwe ogen. De lange bleke wimpers. De fluwelen wenkbrauwen. Alles aan haar ontroerde hem. Het kettinkje rond haar hals, waaraan een zilveren hartje hing met zijn naam in gegraveerd. Het juweeltje verborg het serienummer dat in haar huid was gegrift.

‘Wat betekent het?’

‘Het heeft dezelfde betekenis als ‘van de’. Zo schreven ze vroeger. Kijk, hier kom je die s weer tegen: ‘De smaak des honings is zeer zoet’ en ‘Hij had het stervenskoud’. De taal weerspiegelt de geschiedenis van de mensheid, Dolly, want honing en kou zijn al 200 jaar uit onze woordenschat en onze wereld verdwenen.’

‘Waarom hou je van woorden die niet meer bestaan?’ vroeg ze.

‘Ik heb heimwee naar een tijd die niet de mijne was, hoe kan dat zelfs, Dolly? Misschien omdat ik zelf oud ben’, zei hij. ‘Vind je het vervelend?’

Ze legde haar hand op zijn wang. ‘Nee, ik hou van jou en al je woorden.’

 ‘Mag ik een stukje voor je voorlezen?’ vroeg ze. Ze zette haar leesbril op, waarschijnlijk was ze de enige bot op aarde die dat deed, zo leek ze toch wat ouder. Ze stopte haar vinger bij een zin.

‘Dit’, zei ze, ‘vind ik mooi.’ ‘Zou hij net zoveel van mij houden, als ik van hem?’ mijmerde zij, terwijl zij aan het zoldervenster stond en over de groene, bloemrijke tuin staarde.’ Ze keek hem vragend aan.

‘Tot 2050 hadden mensen nog tuinen aan hun huizen, Dolly, met gras en bloemen. Binnenkort neem ik je eens mee naar de stad. In het Archief voor Geschiedenis hebben ze zo’n huis met tuin nagebouwd onder een glazen stolp.’

‘Ik blijf liever hier met jou’, zei ze.

‘Zo mooi, he, de namen van de bloemen vroeger’, en hij las voor: ‘dagbloem, witte roos, roze roos, tarwe, fluitekruid, rood-witte anjer, trosnarcis, slaapbol, rood-witte tulp, pronkerwt, hondsroos, kamperfoelie, kievitsbloem, hortensia, rode anemoon.’

Dolly hees zichzelf moeizaam uit bed en ging op de oplader staan in de hoek van de kamer. Hij voelde een oude droefheid opkomen en joeg die weg door uit bed te wippen, waarbij zijn knieën kraakten. In de nevelcabine stelde hij de sproeier in op ‘vers gemaaid gras’, zijn lievelingsgeur uit de geurendatabank. De cabine was te krap en de vernevelaar mocht sinds de grote droogte niet langer dan twee minuten per dag opstaan. Een druppel liep tergend langzaam langs zijn rug naar beneden. De nieuwe generatie kinderen was geboren met een huid die de nevel gretig opnam en het onderhuids opsloeg als een isolatielaag tegen de hitte. Hij wreef het water uit over de verrimpelde huid op zijn armen en dacht aan de oude film die hij gisteren had bekeken, waar mensen luierden in de zon op het grote gazon in Central Park, rond de grote fontein met de engel, waaruit helder water klaterde .

Met de geur van vers gemaaid gras in zijn neusgaten en een mok koffie in zijn hand, nam hij de lift naar boven, naar het terras onder de glazen koepel. Het licht verblindde hem en benam hem de adem. Hoewel het dikke glas de hitte buiten hield, had de airco duidelijk moeite om de temperatuur onder de vijfendertig graden te houden. De wolkenloze hemel was stil en smetteloos blauw. Hoe zou het geweest zijn om vogels door de lucht te zien glijden? Hij had de filmfragmenten bestudeerd van een ornitholoog uit 2020, die daar zijn hele leven aan gewijd had. Vooral het getjilp van het roodborstje tussen de herfstbladeren had hem ergens diep in hem geëchood.

De zon scheen genadeloos over de woestijnvlakte en in de doffe stilte kon hij zichzelf horen ademen. De bovengrondse glazen koepel van de stad in de verte fonkelde als een diamant aan de horizon. Tussen hem en de stad was er niets, maar dat was bedrieglijk, wist hij, ondergronds krioelde het van de mensen.

Op de telecom verscheen een verontrustende mededeling: Maak u gereed voor verantwoording: inbreuk op wet 59. U wordt opgehaald om 08.57u. Neem legitimatie, hittepak en eventuele bots mee.

In de slaapkamer hoorde hij de bliep dat Dolly was opgeladen. Hij ademde diep in en uit door zijn neus, sprak zichzelf toe in gedachten: kalm blijven, Ben. Hij was een van de weinigen die was uitgekozen om tot hoge ouderdom te blijven leven wegens zijn verdienstelijkheden als spraakingenieur, maar hij zou snel met nieuwe ideeën moeten komen in plaats van zich te verliezen in de oude talen. Misschien was het een vergissing. Ze hebben zich vergist in mij, herhaalde hij in gedachten.

‘Benjamin? Is alles oké?’ Ze stond naast hem en draaide zachtjes zijn hoofd naar het hare, met haar wijsvinger onder zijn kin, zoals hij vaak moeders had zien doen bij hun kind als ze iets op te biechten hadden.

‘Ja hoor. Ik heb gewoon slecht geslapen. Mijn gedachten schieten dan alle kanten uit. Vergeet niet dat ik een verouderd brein heb’, lachte hij. Hij nam haar beide handen en drukte er een kus op. ‘Ik moet naar de stad, Dolly, iets regelen. Je mag waarschijnlijk met me mee.’ Hij wist dat ze nu met veel vragen zat, maar ze voelde altijd perfect aan wanneer het niet het juiste moment was om die te stellen. Ze is zo’n verstandige meid, dacht hij, en hij voelde een steek van verlangen, het liefst wou hij heel de dag in haar armen liggen.

Met grote tegenzin trok hij zijn hittepak aan. Het leek erg op de ruimtepakken tijdens de eerste maanlanding in 1969. Hij had nooit gedacht dat ze zijn ontwerp zouden goedkeuren, maar zie, hier stond hij, als Neil Armstrong, op deze dode planeet. Dolly klikte de glazen helm vast en drukte zijn gezicht-achter-glas tegen het hare. Als ze echt zou ademen, was het glas nu aangedampt, dacht hij. Ze omhelsden elkaar, de dikke isolerende koelingslaag als een buffer tussen hen in, en zo bleven ze een tijdje staan. Wie van ons twee zou het eerst loslaten? vroeg hij zich af.

Een mannenstem drong zich vanuit de telecom tussen hen in, de combi was aangekomen. Benjamin nam Dolly’s hand en samen stapten ze in de lift. In de spiegelwand zag hij hen beiden staan: een oude kalende man, een blonde vrouw met een romige huid, die er toch ook al wat ouder begon uit te zien, zag hij nu voor het eerst. Ze kneep hard in zijn hand, keek onzeker naar zijn spiegelbeeld, legde haar hand op haar borstkas. Twee breedgeschouderde mannen met een blauw hittepak aan stapten de glazen schuifdeur binnen. Ze beantwoordden Dolly’s ‘Hello’ niet, maar lieten hun blik schaamteloos over haar lichaam glijden. De ogen van de kleinste man bleven haken bij haar boezem.

Benjamin kuste haar op haar voorhoofd.

‘Tot vanavond, Dolly.’ Ze keek hem met vochtige ogen aan.

‘Ik hou van je, Benjamin’, zei ze.

‘Zij wordt zo meteen opgehaald,’ zei de kleinere man.

Toen Benjamin in de politiecombi stapte, zag hij hoe ze hem nazwaaide in de deuropening.

‘Ze is hittebestendig?’ vroeg de man aan het stuur.

‘Ja. Ze weet van niets trouwens.’

‘Dat is altijd beter zo.’ Hij keek Benjamin aan in de achteruitkijkspiegel. ‘Ze konden er niet mee lachen deze keer’.

‘Ja, dat zal wel.’

‘Je beseft niet hoe zwaar je in de fout bent gegaan. Het kost veel geld om die dingen te bouwen en nu zitten we met een hele generatie mannelijke bots die alleen maar in sonnetten kunnen spreken en oude woorden uitkramen. Totaal nutteloze wezens. Wat bezielde je toch? Wou je per se dood of zo?’

‘Ik vond het prachtig. En ze leken zoveel gelukkiger.’

 ‘Wie? De bots? Je bent je verstand kwijt.’ De man schudde zijn hoofd. ‘Wat jij niet lijkt te begrijpen’, ging hij verder, ‘is dat geschreven woorden overbodig geworden zijn. De nieuwe lichting kinderen leert alleen nog beeldtaal, die is zoveel sprekender. Als we iets kunnen leren uit de geschiedenis, is het dat wel, dat zou jij als historicus toch moeten weten.’

‘Ik ben het daar helemaal niet mee eens’, zei Benjamin vermoeid. ‘Waar brengen ze mijn bot naartoe?’

Alsof hij de vraag niet gehoord had, ging de man verder. ‘Neem nu het jaar van de catastrofe: als ze in 2021 elke dag beelden van de vele klimaatrampen die op dat moment woedden, hadden losgelaten op de bevolking, hadden ze misschien wel op tijd het verband gezien tussen de opwarming en de toename van dodelijke virussen. Wie las die goed onderbouwde opiniestukken? Juist, niemand. Wat men onthield, waren de beelden. Welke kleur de truien hadden die de wetenschappers droegen op het scherm, niet de woorden die uit hun mond kwamen. Woorden hebben afgedaan, ze stammen uit een andere tijd.’

‘Wat gebeurt er eigenlijk met zijn bot?’ vroeg de kleinere man in de passagierszetel.

‘Zij wordt toegewezen aan het Archief voor Geschiedenis’, zei Benjamin. ‘Daar zal ze haar intrek nemen in het huis met de tuin uit de jaren 1970, samen met een kind, een jongen, een bot die ik speciaal voor haar ontworpen heb.’

‘Dat had je gedacht’, zei de man voor hem.

Benjamin verstijfde. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij, ‘zo staat het in mijn testament, zo zal het gebeuren.’

‘I don’t think so. Ze waren echt pissed op jou. Je mag al blij zijn als ze haar niet meteen op de schroothoop gooien.’

Hij keek uit het raam, naar de woestijn. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hoe naïef was hij geweest!   

Door de achterruit zag hij de glazen koepel van hun huis in de verte schitteren als kristal. Ze zat helemaal alleen in dat grote huis. Zijn ogen prikten. Zou ze nog op het terras staan, met ogen die groot waren van de angst? Zoals toen hij die medicijnen moest slikken tegen de hersentumor die woekerde in zijn hoofd. Ze hadden nare bijwerkingen, waarvan de ergste de deliriums waren, waarbij zijn moeder voor hem stond en er woorden uit haar mond kwamen die klonken als een vloek, die hij ooit in zijn kinderbrein opgeslagen had en tevergeefs had proberen te vergeten. Met haar minachtende blik had ze met priemende vinger naar hem gewezen: ‘Hier zal je nog spijt van krijgen, kereltje. Ik hoop dat jou hetzelfde overkomt als mij, dat je later eenzaam achtergelaten wordt.’ Ze was een vreemde voor hem, en toch wist hij stellig dat dit zijn moeder was. Hij voelde dat ze gelijk had, dat hij de schuld was van haar ongeluk, hij was de schuld van alles. Zelfs zijn eigen moeder had niet van hem gehouden.

Dolly had hem zien huilen in de woonkamer, pratend tegen een onzichtbare moeder en was er helemaal door in de war geraakt. Ze was er dagen niet goed van, en keek hem met verschrikte ogen aan, alsof ook hij een vreemde was. Het was pas toen hij zijn hoofd tegen haar boezem had gelegd en ze hem zo een hele nacht had gewiegd, dat ze elkaar terug hadden gevonden. Hij had besloten dat hij nog liever zou sterven dan haar nog eens zo bang te maken en hij had de medicijnen in de vuilniskoker gekieperd.

De auto reed de tunnel in voor de stad, steeds dieper in de aarde, naar de laagste regionen, waar de staatsvijanden opgesloten werden.

Dolly, dacht hij, Dolly, het spijt me zo.

Twee weken dwaalde hij als verdoofd rond in de staatsgevangenis, tussen jonge, krachtige mannen, die uit de weg gingen voor hem als hij voorbij kwam. Zo’n oude vent hadden ze nog nooit gezien, en hij moest wel heel speciaal zijn dat hij het voorrecht had gekregen om ouder te worden.

Zijn leven met Dolly leek een verre droom. Was het wel echt gebeurd, vroeg hij zich af, was het geen delirium geweest? De medicijnen die ze hem toedienden tegen de kanker die bij oude lijven hoorde, vernietigden ook gezond hersenweefsel, hoe kon hij nog weten wat echt was en wat niet? Hij diende een verzoek in tot euthanasie, maar dat werd geweigerd.

De vijftiende dag werd hij voor de ethische commissie gebracht, en stond hij voor een lange tafel waaraan prachtige jonge mannen en vrouwen in witte gewaden hem met heldere ogen aankeken. Zijn ouderdom trof hem als een smet op hun witte verschijningen, hij schaamde zich voor de diepe groeven in zijn gezicht.

Het jonge meisje in het midden richtte haar ranke handen op naar het scherm en daar verschenen de beelden die hij eerst niet herkende, tot hij de bloemen zag in het bordes. Het huis uit de jaren zeventig in het Museum voor Geschiedenis! En daar kwam Dolly, met een bloemetjesschort voorgebonden en een wasmand in beide handen, door de deur naar buiten. Ze hing de witte lakens op aan een wasdraad in de voortuin, met een wasknijper aan elke hoek. De wind speelde met haar kapsel en de lakens wapperden rond de contouren van haar lichaam. Haar identikit verscheen op het scherm: een reeks afbeeldingen van al het organisch weefsel waaruit ze bestond en de conclusie: eenenvijftig procent doorbloed weefsel, merkwaardig menselijk. Hij vroeg zich af of ze konden vermoeden dat hij dat met opzet had gedaan toen hij haar creëerde. Dat was niet de enige productiefout die ze hadden aangetroffen in dit exemplaar, ze had ook geen vrouwelijke genitaliën, en leek sprekend op een zangeres uit 1970. Dat maakte haar tot een unicum.

Zijn straf bestond erin dat hij opgesloten werd in het huis met de tuin uit de vorige eeuw. Hij, de briljante wetenschapper, werd veroordeeld om als museumstuk de rest van zijn leven te slijten in een nepwereld achter glas, met de illusie van blauwe lucht, wisselende seizoenen, gras, vogels, kippen, een moestuin, een boomgaard, en een seventiesvrouw zonder vagina in de keuken. Zo konden museumbezoekers met hun eigen ogen zien hoe mensen vroeger leefden, maar ook hoe gruwelijk de aftakeling van het menselijk lichaam wel was.

Toen hij met zijn koffer voor hun huis stond, opende hij voor het eerst in zijn leven een deur met een echte klink. Hij volgde de geur van vers gebakken cake en koffie tot in de keuken, waar Dolly de tafel aan het dekken was. Ze vlogen in elkaars armen en huilden en kusten elkaar. Uit de radio klonk ‘Love me tender’ van Elvis Presley.

’s Avonds zaten ze op het terras, hij met zijn romans en dichtbundels van auteurs uit vroegere tijden, en zij schreef een liedje voor hem. Voor het eerst in haar leven zou ze straks haar gitaar nemen en het zingen voor hem.

https://www.plantentuinmeise.be/nl/agenda/225/kunstroute_natura_inspiratus/in_samenwerking_met_fedos_vzw

Mijn gedicht ’16 juli 1969’ en ook een van mijn kortverhalen werden geselecteerd voor de kunstroute ‘Natura Inspiratus’ in de Plantentuin van Meise. Op plekken waar normaal enkel eekhoorntjes te zien zijn, kan je je nog tot 27 september laten meevoeren door de woorden van een gedicht. Als je zin hebt in dit coronaproof uitstapje in open lucht, kan ik je de kortingsbron doorsturen onderaan de flyer (50% korting). Het ticket geeft je toegang tot de expo maar ook tot de hele Plantentuin. Wel vooraf reserveren, want ze laten maar een maximaal aantal bezoekers toe.

Door Annika Cannaerts

Dramatis Personae

ERIK:                    Een vijftiger

HANS:                    Een dertiger
 

Inhoud

In een drukke winkelstraat stappen twee mannen richting het bankje, om wat uit te rusten. Ze hebben allebei dezelfde winkeltas bij, van een lingeriewinkel, en ze geraken erover aan de praat. Waar eerst achterdocht is, ontstaat een vertrouwensband. De oudere man koopt de lingerie voor zichzelf, de jongere man verzamelt de lingerie omdat hij er blij van wordt.

Decor

Een bank in een autovrije drukke winkelstraat. Op de achterwand zien we filmbeelden van mensen die winkelen of voorbij kuieren in de winkelstraat, of we bevinden ons in een echte winkelstraat.

Scène

Op het podium staat een bank in een drukke winkelstraat. Zowel links als rechts van de bank komt een man aangestapt met een draagtas in de hand. ERIK, een grijzende  vijftiger, laat zich eerst neerzijgen op het bankje. Dan volgt HANS, een jonge dertiger.

HANS

(Zuchtend)

Pfff. Even gaan zitten.

ERIK

(kijkt hem aan)

Ja, dat dacht ik ook. Vermoeiend, dat winkelen.

HANS

(wijst naar de draagtas die ERIK op zijn schoot heeft)

Aha!

ERIK

(kijkt hem vragend maar verontrust aan, drukt de draagtas beschermend tegen zijn borst)

Wat?

HANS

(steekt zijn eigen draagtas omhoog)

Ik heb juist dezelfde winkelzak als jij. Wij hebben blijkbaar in dezelfde winkel geshopt.

ERIK

Haha, ah ja, da’s ook toevallig.

HANS

De mijne is wel groter.

ERIK

Wat?

HANS

(houdt zijn draagtas weer wat in de hoogte).

Mijn zak is dubbel zo groot als die van jou, ik zal meer gekocht hebben.

ERIK

(stilte. Erik kijkt de andere kant op)

HANS

Of meer setjes. Ik koop graag setjes.

ERIK

Setjes?

HANS

Dat alles bij elkaar past.

ERIK

Ah ja, alles in dezelfde kleur bijvoorbeeld.

HANS

Ja, alles in het beige bijvoorbeeld.

ERIK

Of in het rood.

HANS

Rood, ja, rood is ook heel mooi, ja.

(stilte, beide mannen dromen wat voor zich uit)

ERIK

Beige is niet meer in de mode, denk ik.

HANS

Goh, goh, dat zou ik niet zeggen. Achteraan in de winkel, bij de grote maten en de shapewear, daar hing heel veel beige.

ERIK

Ah, daar ben ik precies niet geweest dan. Vroeger noemden ze dat een gaine.

HANS

Ja, dat klopt, da’s juist, mijn moeder droeg dat.

ERIK

Op ons trouwfeest had mijn vrouw zo’n gaine aan. Ze was verdikt en kon bijna niet meer in haar trouwkleed. Die gaine spande zo hard dat ze niet goed kon ademen. Ze heeft niet veel gesproken die dag.

HANS

Hahaha, ben je al lang getrouwd?

ERIK

Al heel lang gelukkig gescheiden.

HANS

Ah ja.

(stilte, beide mannen frunniken wat aan hun draagtas)

ERIK

Nee, het was geen romantisch huwelijk. Ik weet niet wanneer dat dat zo juist begonnen is, maar mijn vrouw behandelde me nogal als een klein kind. Volgens mij was ze altijd chagrijnig van iedere dag die spannende gaines te dragen. Dat was meer een vrouw van het vleeskleurig ondergoed.

HANS

Oh, oh, ah, nee.

ERIK

Geen frulletjes.

HANS

Dat zou ik heel spijtig vinden, als mijn toekomstige vrouw niet van frulletjes zou houden. Ik ben heel erg fan van de romantische lingeriestijl. En dat mag in alle kleuren zijn, maar vleeskleurig? Dat doet me denken aan mijn moeder.

ERIK

Hahaha.

HANS

En, ahum, die lingerie die je nu hebt gekocht, is die dan … euhm.

ERIK

Rood. En roze, met zacht katoenen kantwerk aan de randen. Biokatoen.

HANS

Oh, dat is tof, tof, zeg. En loop je daar dan zelf in rond misschien, hehehe.

ERIK

   (slaat met zijn handen op zijn bovenbenen, maakt aanstalten te vertrekken)

Bon. Ik ga maar weer eens verder, ik moet nog naar de bakker.

HANS

Oh. Sorry, sorry. Ik wou niet … Mijn lingerie is ook niet voor mijn vrouw.

ERIK

  (draait zich terug om, beide mannen glimlachen naar elkaar, hij gaat terug zitten)

Ah, nee?

HANS

              (houdt zijn hand boven zijn ogen)

Nee. Het wordt warm hier, in de blakke zon.

ERIK

Amai ja.

HANS

Zeg enneuh, wat vond je vrouw daar dan van, dat je graag lingerie draagt?

ERIK

Man, toen ze mijn lingerie heeft ontdekt in mijn gereedschapskoffer in de garage, heeft ze alles met de kniptang kapot gemaakt.

HANS

Dat meen je niet.

ERIK

Toen is er ook iets in mij geknapt. Dat was de druppel.

HANS

Ja, dat snap ik, amai.

(Hans neemt de winkelcatalogus vol foto’s van lingerie uit zijn tas en begint er wat in te bladeren)

Zeg, volgens mij zou jij echt goed staan met wat ik gekocht heb. Dat zachtroze, he, dat past enorm goed bij uw huid.

   (hij rommelt in zijn draagtas, haalt er een roze kanten slipje uit en houdt het voor Eriks arm)

Zie je.

ERIK

    (neemt het roze broekje aan, kijkt er vertederd naar, voelt eraan)

Het is prachtig. En het voelt zo zacht.

HANS

Ja, zacht hè. Ik heb daar een hele lade vol van thuis, van dat merk.

ERIK

Allez, zeg.

HANS

In zo’n kaptafel, met links en rechts allemaal schuifjes.

ERIK

Ja?

HANS

En in die schuiven, daar bewaar ik de lingerie per kleur. Roze zit helemaal van boven (maakt schuifgebaar met zijn handen).

ERIK

  (draait zich vol belangstelling naar Hans toe)

Allez zeg. Tof. Tof, jong. Enneuh. Ja. Hoe tof is dat. Enneuh, die zijn dan niet van uw vrouw?

HANS

Neenee, mijn vrouw, die heeft  haar eigen schuif. En dan, onder de roze schuif, heb je de witte lingerie. Rechts boven is er dan nog een schuif met zwart en dan nog eentje met rood.

(stilte, ERIK blijft glimlachend met heel grote belangstelling kijken)

               HANS

Ik zou daar niet tegen kunnen, als al die kleuren door elkaar zouden liggen, man.

               ERIK

Jaja, dat versta ik. Ik bewaar mijn lingerie ook in aparte schuiven.

   (stilte)

Soms, he, als ik geen zin heb om uit mijn bed te komen, dan denk ik: allez, wat ga ik nu vandaag eens aantrekken? Dan krijg je toch weer zin om aan de dag te beginnen.

HANS

Ah ja. Ik draag mijn lingerie wel niet zelf.

ERIK

Ah nee? Voor wie is die dan?

HANS

Ik vind dat gewoon tof om in huis te hebben. Ik vind dat mooi.

ERIK

Ah?

HANS

Ja, ik word daar echt blij van, blij, als ik die schuiven open trek en al die mooie spulletjes zie liggen.

ERIK

Je bent meer een verzamelaar dus?

HANS

Ja. Vroeger had ik nog al eens last van depressies, maar nu, nu verzamel ik dingen waar ik blij van word.

ERIK

Dat is tof, jong, zie, dat zouden nu meer mensen moeten doen.

HANS

Als je tijd hebt, mag je altijd eens komen kijken of er iets tussen zit dat past. Dan mag je dat gerust een weekje uitproberen.

ERIK

Dat is het mooiste dat ooit iemand tegen mij gezegd heeft.

HANS

Zeg, wat denk je? Gaan we een pint pakken?

ERIK

Dat is een goed plan!

EINDE