Annika Cannaerts

Verhalen

Andy Warhol (1928-1987) | Dolly Parton | 1980s, Paintings | Christie's
Andy Warhol, Dolly Parton,1982

Alles kan rustig van thuis uit geregeld worden, dat is het grote voordeel van dit nieuwe concept’, schreef een tevreden klant in de reviews onderaan de advertentie. Ik scrolde verder naar beneden. De ene na de andere bejubelde de persoonlijke aanpak, de gegarandeerde pijnloosheid, de sereniteit. Mijn ogen bleven haken bij dat woord, sereniteit, en ik sprak het hardop uit, proefde de klanken in mijn mond. Was dat waar ik naar op zoek was? vroeg ik me af. Ik was zowat het omgekeerde van sereen, dacht ik wrang. Heel mijn leven al hadden ze me nerveus genoemd. ‘Je maakt me zenuwachtig’, dat had ik ook vaak gehoord. Wat een lelijk woord, dacht ik.

Ik keek uit het raam van mijn bureau naar de troosteloze rij garages aan de overkant. In het vuilgele lichtbundels van de straatlichten miezerde de regen. Daarachter lag de snelweg, die ik niet kon zien. De hoge betonnen bunker waarin de garagepoorten zaten, spreidde zich uit over de hele breedte van het flatgebouw. Zo is het altijd geweest, dacht ik. Iets logs en lelijks had steeds in de weg gestaan. Misschien had ik de flat op de vijftiende verdieping moeten huren, toen die leeg kwam te staan. Van daaruit had ik niet alleen de snelweg kunnen zien, maar ook alle mogelijkheden die in de verte lagen. De laatste tijd had ik steeds maar weer de drang voelen opkomen om in de verte te kunnen kijken.

Ik moest toch een beslissing nemen, ik kon dit niet langer uitstellen. Ik probeerde met mijn buik de opdoemende misselijkheid en kilte weg te ademen, weg van mijn borst, waarin een blinde vleermuis hoekig rondfladderde in een donkere grot.

Enerzijds kiezen klanten voor dit alternatief door tijdsgebrek, anderzijds ook omdat sommige mensen bewust een persoonlijke aanpak willen in die moeilijke periode.’

‘Tijdsgebrek’, siste ik tegen het scherm. ‘Kun je wel stellen, ja.’ Ik klikte haastig door naar ‘Bestellen’, waar er weer hele lappen tekst op me afkwamen.

‘Er kan gekozen worden uit verschillende pakketten, van basic tot complete. Zodra die keuze gemaakt is, kunnen verschillende extra keuzes worden gemaakt.’

‘Complete’, zei ik, ‘complete.’ Als een razende bleef ik maar doorklikken, ik had genoeg van al het getreuzel, jeeesus, een leven lang aarzelen en haperen, het moest maar eens gedaan zijn, godverdomme.

Huishoudelijk: nee – gezelschap: ja – seks: nee – humanoïde: ja – zorg: ja – palliatief: ja – hedendaags: nee – retro: ja. Tik de naam van een prototype in: huh? Suggesties: Marilyn: nee – Agneta: nee – Dolly…  Dolly! riep ik. Ja. Kies een locatie: bos: neewoestijn – Woestijn? Waarom niet, daar zou het stil zijn: ja – strand: ja. Wacht. Woestijn: nee – strand: ja.

Vanaf dan ging het in grote stappen heel snel, een rollercoaster van klikken die niet meer te stoppen was: Bestelling bevestigen – betaling bevestigen – betaling ontvangen – goedgekeurd – details bestelling verzonden naar JohnSnail@writer.be.

Een zweetdruppel parelde langs mijn slaap naar mijn kin en bleef daar kriebelend hangen. Wat had ik gedaan?

Als een razende begon ik te typen: Beste, ik wil toch liever de budgetuitvaart, gelieve de bestelling en betaling te annuleren. Tot mijn ontzetting kon ik het bericht niet versturen: no reply. Geen restitutie mogelijk, verscheen in de onderwerpregel. Mijn armen voelden zwaar, mijn voeten herkenden het klompgevoel, maar hier kon ik niet van weglopen. Deze keer niet. 

Beste heer Snail, het verdere verloop van de procedure zal u uitgelegd worden bij aankomst. U wordt voor 12u verwacht in Beach Resort Ooghduyne 1, 178 , Julianadorp aan Zee.

Ik klapte mijn laptop dicht en trok de voordeur hard achter me dicht. Het geluid van de dichtslaande deur weergalmde in de gelige gang. De lamp in de tl-buis aan het plafond knipperde nu al maanden. De lange gangen in het flatgebouw waren uitermate geschikt om te ijsberen, dat had ik ook al eens ervaren toen ik pas de diagnose gekregen had. Ik spurtte de trappen op tot ik buiten adem was en kwam pas tot bedaren toen ik halfweg de zevende verdieping besloot dat ik ook gewoon alles kon negeren. Ik zou gewoon niet gaan. Niemand kon me toch verplichten, zeker, ik deed al heel mijn leven zoveel tegen mijn zin, ik mocht toch nog wel sterven zoals ik dat wou. Alleen in mijn flat. Of op zo’n palliatieve afdeling in een ziekenhuis, met zo’n witte plastieken zorgrobot.

Nog steeds buiten adem, stapte ik in de lift en duwde op de knop van de vijftiende verdieping. Ik googelde even de beschikbaarheid op mijn smartphone. Tot mijn ontzetting was alles volgeboekt de eerste zes maanden. Tevergeefs, wat een mooi woord, dacht ik. Ik ben tevergeefs.

Met een schok stopte de lift op de hoogste verdieping. De metalige klank van de dichtslaande liftdeur weerkaatste tegen de betegelde muren van de traphal. Langzaam liep ik naar het raam aan het einde van de gang. Een vaal ochtendlicht hulde alles in een blauwige schijn.

Aan de overkant stond een nieuw flatgebouw in de steigers, maar het zag er verlaten uit. Een groepje kinderen wurmde zich tussen de hekken, ze liepen de werf op, zigzaggend tussen de roestige metalen staven die uit de fundering staken. Ik bewonderde ze, zo’n kind was ik nooit geweest. Ik was heel mijn leven bang gebleven, al zo lang. Vorige maand was hier een vrouw van het balkon gesprongen van een van de flats hier op de vijftiende verdieping. Ik keek naar beneden, naar de harde betonnen baan voor het flatgebouw, de verwaarloosde perken aan de randen, de jagende wolken aan de grijze hemel. Wat een dappere vrouw.

Hoeveel tijd had ik nog? Ik haastte me terug naar beneden en gooide mijn mooiste kleren in een grote koffer, bovenop drie lege schriftjes, mijn beste balpennen en wat toiletspullen. Een pyjama nam ik met opzet niet mee, ik zou sterven in het harnas.

Ergens onderweg van de vijftiende verdieping naar beneden had ik daarstraks een besluit genomen. Ik zou met élan mijn laatste adem uitblazen. Ik had met een zekere waardigheid proberen te leven en had de wanhoop altijd binnenskamers weten te houden. Ik wou nu ook niet als een sukkel doodgaan. Waardig je lot dragen tot je laatste snik, het heeft iets heroïsch. Het werd een plan dat uit te voeren was, ik kon dit. Ik werd de scenarioschrijver van het sluitstuk van dit onbenullig bestaan. Denken aan mijn plan, maakte me kalm. Paniek, wat is dat? vroeg ik grijzend aan de spiegel, terwijl ik me scheerde. Ik voelde me zowaar energieker dan ooit.

Even later galmde een dingdong door heel de flat. Al dertig jaar ergerde ik me aan het irritante zoemgeluid van de deurbel, maar pas vorige week had ik ze vervangen door deze heldere draadloze dingdong, die ik nu voor het eerst hoorde. In de deuropening stond een man die er niet nog stereotieper dan een begrafenisondernemer kon uitzien. Ik had hem vanuit mijn raam al uit de lange grijze lijkwagen zien stappen, die zich plechtig en statig voor de garageboxen geparkeerd had. Hij trok zijn gezicht in een geloofwaardige empathische plooi.

‘Ik kom de heer Snail halen’, zei hij met trieste ogen en een mond die toch glimlachte. ‘Dolly kijkt uit naar zijn komst.’

‘Bent u Pietje de Dood?’ brandde op het puntje van mijn tong, maar ik werd weer heel nerveus en dit was geen humoristische sketch, dit was real.

‘Ik ben er klaar voor’, zei ik zonder een zweem van zenuwachtigheid in mijn stem. Hij nam mijn koffers van me over en waardig schreed ik achter hem de gang uit.

Vanuit de passagiersstoel had ik naar het voorbij zoevende vlakke herfstlandschap gekeken. Het teveel aan adrenaline de afgelopen dagen had de bekende mistbank in mijn hoofd achtergelaten, die het grootste deel van mijn leven opgeslokt had en waarin de tijd dubbel zo snel voorbijgleed. Het zou een goede titel voor een roman zijn geweest: ‘Mijn leven als mistbank.’ Het was warm en ouderwets gezellig in de auto, en ik dacht aan niets bijzonders. De zwijgende begrafenisondernemer, die Rudy heette, keek me af en toe minzaam aan en gaf flink plankgas.

Hij draaide een smal weggetje in dat tussen de duinen slingerde en parkeerde de auto op de laatste strook asfalt voor het strand begon. We waren dus al in Nederland, maar nergens onderweg was ik een bord tegengekomen dat daarop wees. Het strand was verlaten en op het vlonderpad volgde ik Rudy naar een kleine bungalow op poten, die de vorm had van zo’n huis dat je als kind tekende, een rechtopstaande rechthoek met een driehoek als dak. Ik was er erg goed in geweest om dat in één pennentrek te tekenen. De pennentrek was hier vervangen door een stalen constructie, die uitliep in een balkon. Heel de voorkant en het voorste deel van de zijkanten bestond uit glas.

‘Na u’, zei Rudy, die de glazen deur voor me openhield. Een weldadige warmte stroomde me tegemoet. Het deed me deed denken aan de veranda uit mijn kindertijd, waarin ik als kleuter op de vloer speelde op een matje, in het volle daglicht, waarschijnlijk om dat bleke en ziekelijke kind dat ik was, wat aan te sterken. Ik herinnerde me een vogeltje dat mijn moeder met een lang touw aan zijn pootje vastgebonden had aan de klink van de deur en dat luid tjilpend rondfladderde. Toen al was mijn bezigheid kijken en niet spelen, niet iets doen, dacht ik.

‘Ik ga alvast de koffer uitpakken’, zei Rudy, en hij stapte kordaat de trap op die naar de duplex leidde.

Ik ging op een van de witgelakte stoelen zitten aan de houten tafel die in het midden stond en keek naar de einder boven de golven. Ik had al een eeuwigheid het voornemen gehad om de houten stoelen op mijn flat wit te lakken. Hij is eindeloos, dacht ik, de lijst met plannen die ik niet uitgevoerd heb. De zee was vlakbij en schitterde in de avondzon. Hier zou ik kunnen schrijven. Bijna was ik vergeten waarom ik hier was.

In de kleine compacte keukenhoek pruttelde een koffiemachine en tussen de kleurige kussens op de zwartlederen sofa begon een gsm luid te zoemen.

‘Alstublieft, zeg,’ hoorde ik Rudy verontwaardigd boven zeggen op de duplex, ‘ik heb je wel tien berichten gestuurd dat we eraan kwamen.’

Een blonde vrouw die veel te hoge naaldhakken aan had om zo’n steile trap te kunnen afdalen, hield zich met twee handen vast aan de reling, terwijl ze haastig naar beneden stapte. Door haar dikke bos blonde krullen kon ik haar gezicht niet duidelijk zien van opzij. Ze zuchtte toen ze beneden was, trok haar spannende rode bloesje naar beneden, en keek me met een verontschuldigende glimlach aan.

‘Sorry,’ zei ze, ‘ik was in slaap gevallen. Ik was mijn koffer aan het uitpakken boven en ik dacht: ik ga even liggen, ik ben toch te vroeg.’

‘Ah’, zei ik.

Ze kwam op me toegestapt en stak haar hand uit. ‘Hello, ik ben Dolly.’

Ik staarde haar verbluft aan. De gelijkenis met de posters die ik kende van vroeger was treffend, vooral de enorme boezem, de smalle taille en de ronde heupen in de seventies jeans met olifantenpijpen. Ze had dezelfde lichtblauwe lachende ogen, alleen had deze Dolly donkere wallen en een valere teint. Ze keek met enige wanhoop in haar blik vragend naar Rudy, die met gekruiste armen tegen de muur leunde en haar nogal minachtend aankeek, vond ik.

‘Hij heet John Snail’, zei hij, en hij gooide oneerbiedig een geniet bundeltje A4’tjes in haar richting op tafel, waarop in het groot mijn naam stond. ‘Ik neem aan dat je zijn dossier nog niet gelezen hebt op het uitvaartaccount, anders had je zijn naam wel geweten.’

Ondertussen was ik erg ongerust geworden en had ik kaakpijn van mijn tanden te hard op elkaar te duwen.

Rudy schraapte zijn keel en keek me aan. Hij rechtte zijn rug, legde zijn handen op zijn hart en maakte een buiging. ‘Ik wens u nog een prettig verblijf, mijnheer Snail. Ik kom u terug ophalen als de tijd rijp is en zal u een propere begrafenis bezorgen, zoals in het contract beschreven staat. U kan op mij rekenen.’ Na nog een diepe buiging stapte hij met grote passen naar de voordeur, die hij voorzichtig achter zich sloot. Het waaide hard op het terras, de revers van zijn pak flapperden hevig en een rukwind ging aan de haal met het witte borstzakdoekje dat half uit zijn vestzak stak. Het danste springerig in de lucht, steeds verder voorbij de reling van het terras, waar het zijn vleugels uitsloeg en als een grote witte meeuw krijsend naar de zee vloog.

Dolly stapte op wankelende benen van de tafel naar de sofa en liet zich erop neerploffen.

‘Waarom doe je die schoenen niet uit? Straks val je nog om’, zei ik kortaf.

‘De hoge pumps horen bij het Dollypakket’, zei ze. ‘Ben je zeker?’

‘Ik ben heel zeker’, antwoordde ik, ‘dat ik niet het risico wil lopen dat de software beschadigd wordt die ik binnenkort nodig heb om pijnloos te kunnen sterven.’

Ze keek me koud aan en mompelde iets.

‘Wat zeg je?’

Ze sloeg haar ogen neer. ‘Ik heb bijna geen software, ik ben vijfenzeventig procent humanoïde.’

‘Frankly dear, I don’t give a damn’, brandde op mijn lippen, maar Rudy’s respectvolle afscheid had me herinnerd aan de belofte die ik aan mezelf gemaakt had voor mijn vertrek: waardigheid, tot het bittere eind. Ik sloeg het schriftje open dat op tafel lag en schreef de woorden neer van W.H. Auden: ‘If equal affection cannot be / Let the more loving one be me.’

Ik voelde me wat ijl in mijn hoofd en probeerde de duizeligheid weg te ademen met de diepe buikademhaling die ik me eigen had gemaakt in de meditatiegroep van het ziekenhuis, maar ik begon alleen maar nog harder te zweten.

‘Daar is de badkamer’, wees Dolly, die waarschijnlijk dacht dat ik elk moment de boel zou gaan onderkotsen.

Ik waste mijn gezicht met koud water en ging met natte handen door mijn haren. De man in de spiegel zag er niet goed uit. Zijn oogleden waren opgezwollen en de donkere schaduw die onder zijn ogen hing, was zelfs uitgelopen tot in zijn rimpels. Ik herkende de lichtblauwe ogen van mijn jeugd, de grijze haren van de laatste jaren, met hier en daar nog een blonde strook, maar niet het ingevallen en grauwe gezicht.

‘Het licht daar flatteert echt niet, moet ik zeggen’, riep Dolly vanuit de woonkamer. ‘Ik dacht dat ik een lijk zag in de spiegel.’

Door de deuropening keek ik haar aan, ze zat in de zetel en was haar schoenen aan het uittrekken.

‘Euh, ik bedoel, toen ik daarstraks naar mezelf keek in de spiegel, bedoel ik’, voegde ze er haastig aan toe.

Ik slokte een groot glas water naar binnen en voelde me terug standvastiger. ‘Ze zeiden me dat ik alle informatie bij aankomst zou krijgen’, zei ik, nog steeds vanuit de badkamer. ‘Ik wil weten wat me te wachten staat. Als het me niet aanstaat, pak ik alsnog mijn boeltje en vertrek ik’.

‘Waar zou je dan naartoe gaan?’ vroeg ze. ‘Er is hier niks in de wijde omtrek.’

‘Terug naar mijn flat in Antwerpen, ik bel een taxi en wacht daar wel tot alles achter de rug is.’ Ik duwde de badkamerdeur helemaal open en wou kordaat de woonkamer in stappen.

Ik schrok ervan hoe dicht ze opeens stond. Ze leunde tegen de keukenkast, vlak bij de badkamerdeur.

‘Dan zou ik met je meegaan’, zei ze. ‘Ik blijf bij jou.’

Ze bleef me glimlachend aankijken, ik keek naar de prachtige rij witte tanden en de kuiltjes in haar wangen. Een voorste tand stond een klein beetje scheef.

‘Lust je tomatensoep?’ vroeg ze.

Ik stond aan het raam, met mijn handen in mijn zakken. Dolly zat in kleermakerszit in de zetel, met het dossier in haar schoot. De zon hing al laag, straks zou het donker worden.

Ze nam het stapeltje papier met beide handen vast en legde het voorzichtig op het bijzettafeltje.

‘Ik heb het wel gelezen,’ zei ze, ‘ik kan alleen niet zo goed namen onthouden.’

‘Dat klinkt erg ironisch, Dolly’, zei ik, ‘een zorgrobot die geen namen kan onthouden. Geef je dan niet regelmatig iemand verkeerdelijk een dodelijke injectie?’

‘Nee, ik vergeet nooit een gezicht’, zei ze stilletjes.

‘Je hebt een gliobastoom fase 4 in je hoofd’, zei ze, ‘maar dat weet je al.’

Ik zei niets, dit was vanaf het begin al een woordeloze ziekte geweest.

‘Ik ben geen robot’, zei ze, ‘ze noemen ons zo omdat we geen menselijke levensloop doormaken, maar ik ben van organisch materiaal gemaakt.’

We keken nu allebei uit het raam.

‘Uit het genetisch profiel van de tumor kan ik opmaken dat je in dit stadium al functieverlies kan verwachten.’  Ze keek me onderzoekend aan. ‘Maar je houdt het wonderbaarlijk lang uit’, zei ze, weer met die innige glimlach.

‘Zolang je maar niet tegen me begint te zingen’, knipoogde ik.

Ze kwam naast me staan en we keken naar de zwerm grote vogels die laag over de zee vlogen. De zon brandde waanzinnige kleuren in de lucht.

‘Nooit gedacht dat ik nog eens met een jongen naar een zonsondergang zou staan kijken’, zei ze. ‘Ik voel me net een personage uit een film.’

‘Hoe handel je dit dan gewoonlijk af?’ vroeg ik.

Ze kruiste haar armen en keek naar beneden. ‘Het is mijn eerste keer’, antwoordde ze. Ze keek me dodelijk serieus aan.

We zaten zwijgend aan tafel en aten tomatensoep en tarte tatin met slagroom, mijn lievelingseten. Als onze ogen elkaar kruisten, glimlachten we naar elkaar.

‘Ik voel me zo licht bij jou’, zei ik.

‘Dat komt omdat ik iets in de tomatensoep heb gedaan’, zei ze met een schalkse blik.

‘Nee, ik denk dat het komt door jou’, zei ik. Ik meende het oprecht.

Ze keek me aan met een onzekere blik. ‘Hoe wil je je laatste uren nog doorbrengen?’ vroeg ze. Ze legde haar hand op de mijne. Een warme, zachte hand.

‘Ik wil een gedicht schrijven voor jou’, en ik opende het schriftje op de tweede bladzijde. ‘Ik ben eigenlijk een mislukte schrijver’, zei ik. ‘Volgens de laatste recensie is mijn werk cliché op cliché op cliché.’

Dat had me genekt, dacht ik bitter. Ik had het willen vergeten, maar het had me de genadeslag gegeven. Ze nam ook mijn andere hand in de hare.

‘Het tragische is,’ ging ik verder, ‘dat schrijven het enige is waartoe ik mezelf kan bewegen, het enige dat me echt blij maakt’.

‘Je bent een schrijver’, zei ze, ‘iemand die schrijft is een schrijver, toch?’ Ze gaf me de pen aan en schepte nog wat soep uit.

‘Hoe zou jij je laatste uren willen doorbrengen, Dolly?’ vroeg ik.

‘Hier, met jou’, zei ze zonder aarzelen.

Ik wist dat dit alles te mooi was om waar te zijn en heel mijn leven was ik een dappere realist geweest, had ik mezelf nooit gespaard om de dingen onder ogen te zien zoals ze echt waren en die waren niet fraai geweest. Maar toch geloofde ik elk woord van wat ze zei.

Ze speelde met haar lepel in de soep. ‘Ik weet dat het raar klinkt’, zei ze, ‘maar het enige dat mij echt blij zou maken is moeder worden.’

‘Je stelt je er te veel van voor’, zei ik. ‘Het moederschap is overroepen. Ik weet dat het vreemd is om te zeggen van je eigen moeder dat je elkaar nooit goed gekend hebt, maar zo was het bij ons. De onverschilligheid was er vanaf het begin. Volgens mij is het laatste taboe de mythe van de moederliefde, Dolly. Je leest het ook in de oude versies van volkssprookjes, waarin moeders hun eigen kinderen achterlieten of opvraten, zonder een spatje schuldgevoel.’

Ze staarde me ontzet aan en trok haar handen terug. ‘Ik zou zo geen moeder zijn’, zei ze zacht. ‘Dat weet ik zeker.’

Had ze nu tranen in haar ogen? Ik nam haar hand vast en drukte er een kus op. ‘Je zou de warmste en tederste moeder zijn van heel de wereld, dat is zeker.’

We schoven de sofa voor het raam en keken samen naar de zonsopgang. Eerst lag zij in mijn armen en toen het slaapmiddel begon te werken, drukte ze me tegen haar zachte boezem. Ze veegde haar blonde krullen uit mijn gezicht en kuste me op mijn voorhoofd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: