Annika Cannaerts

Verhalen

Léon Spilliaert, De baadster, 1910

In de blinkende stalen lift bekijk ik mezelf in de spiegel. Je ziet jezelf nooit als je tussen andere mensen staat, alleen in een liftspiegel heb je dan ook een hoofd. Ik hou van liften. Geruisloos suizen naar een andere wereld. Gered worden als je vastzit. In mijn linkeroor begint het plots te ruisen. De lift zoeft zacht naar de derde verdieping en de liftdeuren openen zich als een toneelgordijn. Op het podium duwt een verpleegster met snelle pas een leeg ziekenhuisbed voort. Ik herken de oranje pijlen op de vloer, waarvan de hoeken nu hier en daar afgesleten zijn. Kamer 28: zonder nadenken weet ik dat dat naar rechts is, de kinderafdeling. Ik kijk door het raam naar het lege, perfect opgemaakte bed in de kleine kamer. Het tafeltje tegen de muur en de ramen met donkerblauwe gordijnen zijn nog net hetzelfde. Met ingehouden adem kijk ik rechts de lange gang in. Op sommige kamerdeuren staan roze flamingo’s op éen poot. Op mijn deur plakt niets.

In het midden van de gang gaat plots een flamingodeur open en een verpleegster komt met stevige tred mijn richting uitgelopen. Ik sta doodstil als een hert dat onraad ruikt, de deurklink nog steeds in mijn hand. Even plots stopt de verpleegster midden in de gang, noteert iets op het klembord dat ze in haar linkerhand houdt. Ze draait zich bruusk weer om en verdwijnt achter de balie.

Ik sluit zachtjes de deur en glijd voorzichtig tussen de spierwitte lakens. Doodstil lig ik op mijn rug. Hoor ik daar voetstappen? Rustig maar, dit is de laatste kamer van de afdeling en ze denken dat die leeg is. Dit is mijn kamer. ‘Ik ben terug’, fluister ik buiten adem.

De dag dat ik hier aankwam, werd ik geweekt in een bad dat geurde naar ontsmettingsmiddel. Glimlachende verpleegsters wasten mijn haren met zachte handen. Als een spons zoog ik hun blikken op, de beweging van hun handen, die mijn wonden ontsmetten. Met lichte walg, vervoering en dwingende nieuwsgierigheid keken ze naar mij. Iets scherps in mijn borst was ook week geworden na het veelvuldig baden. Ik lag zo vaak in het water die eerste dagen dat ik in een zeemeermin veranderde en het ruisen van de zee kon horen.

Wekenlang leefde ik haast onbeweeglijk als een proefdier, een romp waarop vreemde ledematen gegrift waren. Rechts blonk het nachttafeltje met de glazen, de fles water, de thermometer, de medicijnen. Links: de tikkende centrale verwarming, het matglazen venster. De geregeld in mijn waarnemingsveld opduikende geluiden waren de deur die werd geopend, de rubberen stappen van de verpleegsters, het veelvuldig contact van ijzer tegen glas, de bijna geluidloze doktersinstrumenten, stromend water. Deze zorgende wereld had geleidelijk de normale wereld verdrongen, geliquideerd, vervangen. Hier was ik veilig.

De schemer vult mijn kamer en met grote tegenzin kom ik uit mijn bed en sluip ik de gang uit. Langs de betonnen buitentrap snel ik weg van de kinderafdeling van het Maria Middelares ziekenhuis. Buiten kijk ik nog even naar het raam van kamer 28. ‘Tot morgen’, zeg ik hardop.

Ik wou het bij één keer te houden, maar mijn verlangen is te groot.  Het valt me op dat ik de enige lijk te zijn die het hier fijn vind in het ziekenhuis. De hologige zieken schuifelen zonder waardigheid door de gangen, hun waarneming afgestompt en beperkt tot de witte wereld van de kussensloop, de oneffen muur vlakbij. Altijd gehaast, de bezoekers, in welke richting ze zich ook bewegen. Met hun gezonde gelaatskleur en verende tred vallen ze hier uit de toon. En ik? Dit is de enige plek in de wereld waar ik besta. Dit is alles wat er is voor mij.

De verpleger met de blauwe ogen blijft altijd naar me kijken als ik eet. Zijn ogen doen me denken aan de zee. Hij gaf me een dik sprookjesboek cadeau met een zachte rode katoenen kaft. Ik kijk naar de prenten bij het sprookje van de zeemeermin. De blonde prins draagt een kroon op zijn hoofd en met zijn hemelsblauwe ogen kijk hij liefdevol naar de zeemeermin in het water. Hij heeft een wit verplegersuniform aan.

‘Wat is je lievelingseten?’ vraagt de verpleger met de blauwe ogen, toen ze me terug in bed gestopt hadden. Begrijpt deze mooie prins niet dat een zeemeermin niet kan praten?

‘Eet je graag frietjes?’ Ik knik.

Ik kijk naar mijn prins, die me een bordje frietjes voorhoudt, met mayonaise, stukjes tomaat en ei. Mijn tandvlees doet pijn, maar ik kauw en slik, omdat hij daar blij van wordt. Hij neemt me mee naar een kamer waar ik platgedrukt sta tegen het koude röntgenapparaat en ik hoor een onbekende stem tegen hem zeggen: ‘Twee gebroken ribben. En haar haren moeten eraf. Ze zit onder de luizen, nog nooit zo’n grote beesten gezien.’

De prins neemt mijn hand vast, die zo gevoelloos is als een schubben huid. ‘Het komt wel goed met jou’, glimlacht hij innig.

De lichten knipperen aan op de gang. Ik besluit om de nacht hier door te brengen. Het kan me steeds minder schelen als ik betrapt zou worden. Dit is de plek waar ik aanspoelde. Mijn

vissenstaart spleet zich in mensenbenen, maar dat volstond niet. Ik schoot tekort tussen de mensen. Het enige wat ik nu nog wil, is hier zijn, zoals vroeger.

Ik lig in een zacht bed aan een infuus. Pure liefde druppelt mijn aders binnen, ook naar de koude onderkant, waar mijn vissenstaart zit. Het tintelt, tot in het puntje van mijn vinnen.

De dokter kijkt achter mijn oren, richt zich dan naar de verpleger en zucht. ‘Dat zit er waarschijnlijk al jaren’, zegt hij zacht.

Mijn kieuwen, denk ik opgewonden. Ze hebben mijn kieuwen ontdekt.

‘Die korsten moeten eraf. En nabehandelen met een antibioticum.’

Hij kijkt me onderzoekend aan. ‘Je moet goed eten, hoor, je bent nog te mager’.

‘Ja’, knik ik.

‘We houden van frietjes’, zegt de prins. ‘Ja’, zeg ik, ‘we houden van frietjes’, en ik schrik van mijn zeemeerminnenstem.

Nu is er geen weg meer terug. Het water loopt mijn ogen uit en stroomt over mijn gezicht. Ik drijf op mijn rug, ik wil het schuim van de golven worden. Mijn longen vullen zich volledig met lucht, zeelucht. Vaarwel witte prins, het doet te veel pijn om een mensenhart te hebben. Hij kijkt in de verte uit over de zee, zoekt me. Maar ik ben onvindbaar.

‘Lisa Leysen, 43 jaar, overdosis stilnox en nocatmid, maagspoeling, stabiel’.

‘De hoofdverpleegkundige van de afdeling Pediatrie staat in de gang. Hij heeft haar gevonden en wil haar zien. Toestaan?’

‘Laat hem maar binnen.’

Een stoel schuift dichterbij, het geluid doet pijn in mijn hoofd, dat uit elkaar wil barsten. Ik doe mijn ogen open en naast me zit een oudere man met hele lichte ogen die me indringend aankijkt.

‘Ik ken jou’, zegt hij. ‘Vijfendertig jaar geleden lag je op mijn afdeling. Je was er erg aan toe. Het was mijn eerste werkweek hier als verpleger en ik had nog nooit een kind gezien als jij.’

Ik kan nauwelijks ademhalen door mijn kieuwen.

‘Werk je hier nog altijd?’

‘Dit is mijn laatste werkweek voor ik op pensioen ga’, ik begin en eindig hier met jou blijkbaar’.

En nu stroomt de zee uit mijn ogen, niet te stoppen.

‘Het komt wel goed met jou’, zegt hij, terwijl hij de schubben huid van mijn hand streelt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: